Studiecentrum voor Antroposofie

's Hertogenbosch 

 

Wat is antroposofie? Antroposofie betekent letterlijk ‘mens (antropos) –‘wijsheid’ (sofie).    

We nemen de wereld en onszelf waar, buiten ons zien we een materiële wereld in al zijn verschijnselen en in onszelf nemen we ook van alles waar: gedachten, gevoelens, wilsimpulsen, herinneringen.  Om tot begrip te komen, van hetgeen we waarnemen hebben we het denken nodig,  dit geeft ons kennis van de wereld en zelfkennis. We leven in een tijd dat vele begrippen voortkomen uit de materialistische natuurwetenschap. En ook het algemene wereldbeeld is materialistisch. Hoe we de wereld, onszelf waarnemen en ook hoe we daarover denken is niet altijd hetzelfde geweest.

 In vroegere tijden had de mensheid algemeen een helderziend bewustzijn, op spirituele wijze nam de mens de wereld  waar en zichzelf waar. Hij dacht niet aktief na,  maar ontving de wijsheid met de waarneming.  Dit was nog zo tijdens de oud indiase cultuurperiode in de volgende, perzische, egyptische cultuurperiode nam dit bewustzijn af. In de Griekse cultuurfase ontwikkelde zich de filosofie,  de mens ging meer zelf aktief denken.  Later ontwikkelde zich het natuurwetenschappelijke denken.  Het helderziend bewustzijn nam af,  de waarneming van de wereld, werd steeds meer een zintuiglijke waarneming van de fysieke realiteit,  ook de waarneming van zichzelf werd anders, vroeger was men zich bewust van de voorafgaande levens, steeds meer werd het bewustzijn begrensd tot het huidige leven zelf. Het denken werd steeds  meer een materialistisch , abstract denken.  Met dit denken is de mens vrij geworden, maar hij heeft daardoor het bewustzijn van de spirituele verbondenheid verloren.   

  We beleven naar de wereld toe een grens, we nemen een materiële buitenkant waar, het innerlijk nemen we niet direct waar. Naar binnen toe ervaren we ook een grens, een waarnemen van herinneringen,  maar wie we werkelijk zijn is versluierd. We leven in een tijd dat deze grenzen weer opener worden, het 'kali yuga' is in 1899 afgelopen (een periode van 3000 jaar dat de mens steeds meer afgesloten raakte van de spirituele wereld).  Vanaf die tijd neemt de interesse in spiritualiteit toe en ook hoe je daar toegang in kunt krijgen.

 In de verschillende culturen waren er inwijdingswegen zodat de mens weer bewustzijn kon verkrijgen van de spirituele realiteit. De yoga- & boeddhistische weg, de christelijke mystieke weg en de rozenkruizersweg zijn hiervan de belangrijkste wegen.

 Rudolf Steiner is geboren in 1861, in een plaats op de grens van Oostenrijk en Kroatië,  hij overleed in Dornach, Zwitserland in 1925.  Van jongsaf aan had hij helderziende waarnemingen, hij kon schouwen in de geestelijke wereld.  Zijn denken schoolde hij door natuurwetenschappen en filosofie te studeren, hij promoveerde in de filosofie.  Hij heeft in ongeveer 6000 voordrachten verteld van zijn  helderziend onderzoek,  daarnaast heeft hij boeken geschreven, het geheel is in zo'n 350 boeken te lezen.  De geesteswetenschap noemde Steiner: 'antroposofie'. De inhouden van zijn werk zijn dus uit eigen spiritueel onderzoek verkregen, zij komen niet voort uit studie van andere spirituele bronnen,  al zijn er natuurlijk vele overeenkomsten te vinden. De geesteswetenschap tracht dus een volgende stap te zijn van de natuurwetenschap, dit door het denken en het waarnemen zo te scholen dat bewustzijn verruimd wordt en er nieuwe inzichten kunnen ontstaan.

 De antroposofische scholingsweg is de nieuwste weg om bewustzijn te verkrijgen van de spirituele realiteit. Deze sluit aan bij de ontwikkeling van hoe de mens zich ontwikkeld heeft in deze tijd.  De grenzen van het materialisme kunnen verruimd worden. Dit door enerzijds een spiritueel helderziend waarnemen te ontwikkelen. Het fenomenologisch waarnemen van Goethe is daarin een eerste stap.  Anderzijds  een denken te ontwikkelen, die het abstracte denken overstijgt, een denken dat beeldend, imaginatief wordt en zich verder ontwikkeld tot inspiratie en intuïtie. Van uit deze ontwikkelde vermogens kan de natuurwetenschap zich ontwikkelen naar een geesteswetenschap.

 Het geesteswetenschapppelijk onderzoek kan zich op alle gebieden van het leven richten. Vanuit deze visie is de vrije school ontstaan en ook de antroposofische geneeskunde,  de biologische landbouw,  vernieuwingen op het gebied van kunst, filosofie, pedagogiek, psychologie, geschiedenis, politiek en religie.  

 De vrije school is ontstaan  vanuit ouders die onvrede hadden met het onderwijs. Zij vroegen  Rudolf Steiner om raad.  Vanuit deze vraag heeft hij een aantal cursussen gegeven  aan leraren en zo ontstonden de vrije scholen. Waar een vrije school werd opgericht, werd meestal ook een studiecentrum opgericht. 

Het studiecentrum nodigt sprekers uit die geïnspireerd zijn door de antroposofie en die in de vorm van een voordracht,  workshop of cursus een bepaald onderwerp belichten. Ouders en anderen natuurlijk ook, kunnen zich dan ook op deze wijze verdiepen in de achtergrond van de vrije school.